Interne bestuurdersaansprakelijkheid

Interne bestuurdersaansprakelijkheid is de aansprakelijkheid van de bestuurder jegens de vennootschap (B.V.) zelf. Dit betekent dat de vennootschap de bestuurder aansprakelijk stelt voor een onbehoorlijke taakvervulling. Als een derde de bestuurder aanspreekt, spreekt met van externe bestuurdersaansprakelijkheid.

Interne bestuurdersaansprakelijkheid komt in het algemeen in twee gevallen voor:

  1. als het nieuwe bestuur  een oud-bestuurder aanspreekt; of
  2. als een curator  het bestuur aanspreekt nadat de vennootschap failliet is gegaan.

Voorbeelden Interne bestuurdersaansprakelijkheid

In de literatuur wordt een aantal voorbeelden gegeven van verwijtbaar handelen als bestuurder:

  1. Als de bestuurder handelt in strijd met regels die de rechtspersoon beschermen. Deze beschermingsregels vloeien voort uit de wet, statuten of andere regels;
  2. Wanneer een bestuurder  middelen aan de rechtspersoon onttrekt, zonder dat hiervoor toestemming of een grondslag was;
  3. De zakelijke belangen van de bestuurder stellen boven de zakelijke belangen van de vennootschap;
  4. Geen of een slechte administratie bijhouden;
  5. Het vermengen van privévermogen met dat van de vennootschap, zonder dat dit nog is te traceren;
  6. Onnodige risico’s nemen die de bestuurder niet kan rechtvaardigen;
  7. Een bestuurder die verplichtingen aangaat namens de B.V., die de rechtspersoon niet kan nakomen;
  8. Beslissingen nemen die verregaande consequenties hebben, zonder dat dit goed is voorbereid;
  9. Niet de verzekeringen afsluiten die gebruikelijk zijn;
  10. De rechtspersoon strafbare handelingen laten verrichten en dit willens en wetens doen;
  11. Leningen verstrekken aan partijen waarvan de kans groot is dat deze dat niet kunnen terugbetalen, terwijl geen deugdelijke zekerheden zijn bedongen;
  12. Handelen buiten het doel van de vennootschap;
  13. Concurreren met de vennootschap, bijvoorbeeld door het innemen van zakelijke kansen;
  14. Zonder redelijke grond de onderneming van de vennootschap stilleggen;
  15. Het verwaarlozen van de kredietbewaking en het niet voorkomen of tegengaan van onderkapitalisatie;
  16. Handelen in strijd met het belang van de rechtspersoon.

Bij faillissement

Daarnaast heeft de curator in faillissement nog een extra hulpmiddel. Hiervan is sprake als het bestuur heeft verzaakt om een deugdelijke administratie te voeren of het bestuur heeft de laatste drie jaren de jaarrekening niet tijdig gedeponeerd. Dan bestaat er een onweerlegbaar bewijsvermoeden dat het bestuur haar taak onbehoorlijk heeft vervuld. De de bestuurder zal moeten aantonen dat dit onbehoorlijke bestuur niet een belangrijke oorzaak van het faillissement is. Een flinke dobber!