ECLI:NL:GHDHA:2018:2054

Als u een vennootschap ontbindt, moet u het vermogen van de vennootschap vereffenen. Alle schuldeisers moeten worden betaald en het restant komt in het algemeen de aandeelhouders toe.

Als er onvoldoende vermogen is om alle crediteuren te betalen, moet de vereffenaar faillissement aanvragen. Dit is anders als alle crediteuren  instemmen met vereffening buiten faillissement.

Een belangrijke uitzondering hierop, is de ontbinding zonder vereffening: de zogenaamde turboliquidatie. Indien een rechtspersoon ten tijde van de ontbinding geen baten meer heeft, dan houdt hij onmiddellijk op te bestaan. Deze turboliquidatie wordt wint in populariteit.

In het onderhavige geval had een DGA zijn vennootschap ontbonden middels een turboliquidatie. De DGA had nog een schuld aan zijn B.V. had van ruim €400.000. De onbetaald gelaten crediteur heeft de DGA aansprakelijk gesteld.

Het Gerechtshof Den Haag oordeelde op 28-08-2018 dat de turboliquidatie leidde tot aansprakelijkheid van de bestuurder. Er was ten tijde van de ontbinding nog een vordering van de vennootschap op de DGA van ruim €400.000. Als de vereffenaar het vermogen op correcte wijze was vereffend, dan had de de vennootschap de vordering van de schuldeiser kunnen voldoen. Door dit na te laten, lijdt de schuldeiser schade. De DGA is gehouden deze schade te vergoeden.

Deze aansprakelijkheidsvordering wijkt af van het heropenen van de vereffening als van een (nagekomen) bate blijkt en lijkt daarmee een snellere en eenvoudigere methode.

Als bestuurder is het dus belangrijk dat u een rechtspersoon alleen ontbindt middels een turboliquidatie als er echt geen baten meer (bekend) zijn.

Ook als schuldeiser is het goed om te realiseren dat een ontbinding van de debiteur niet automatisch betekent dat u de vordering altijd moet afschrijven.